Staatsexamen Nederlands als tweede taal, Examen II (NT2-II)
Dit examen is voor kandidaten op een gemiddeld niveau, en is voor het eerst afgenomen in 1992. Het geeft kandidaten toegang tot een HBO- of universitaire opleiding of functies op dat niveau. Vergeleken met NT2-I is er een grotere nadruk op theorie, wordt er een groter beroep gedaan op woordenschat en is er sprake van een hoger niveau van abstractie.
Er zijn vier onderdelen:
Lezen
De kandidaten worden geacht te laten zien dat ze om kunnen gaan met veel verschillende teksten zoals ze die ook in het dagelijks leven tegenkomen. Ze moeten in staat zijn om een tekst globaal te lezen, om de standpunten van een betoog te bepalen, hoofdzaken aangeven etc. De teksten zijn afkomstig van de werkvloer zoals handleidingen, notities, advertenties, formulieren en artikelen uit tijdschriften en kranten.
Het examen bestaat uit ca. acht teksten en ca. 40 opgaven. Het examen moet binnen een bepaalde tijdsduur gemaakt worden (100 minuten). Er zijn alleen meerkeuze-items. Kandidaten mogen een woordenboek gebruiken.
Schrijven
Kandidaten moeten verschillende deelvaardigheden beheersen. Ze moeten o.a. korte schrijftaken uitvoeren. Daarnaast schrijven ze een langere tekst.
Er zijn acht taken in drie delen. In het eerste deel maken kandidaten korte teksten af en schrijven ze korte teksten met behulp van gegeven zinnen. In deel 2 schrijven ze standpunten, korte brieven, beschrijven ze een activiteit, proces of situatie en geven ze uitleg. In deel 3 tenslotte schrijven ze een langere tekst.
Luisteren
Kandidaten moeten verschillende soorten teksten kunnen begrijpen. Ze worden geacht de hoofdgedachte van een tekst te kunnen bepalen, specifieke informatie te kunnen vinden, een betoog te kunnen volgen en hoofdzaken van bijzaken te kunnen onderscheiden. De teksten komen uit verschillende bronnen zoals aankondigingen, gesprekken, lezingen, interviews, advertenties, instructies en voorlichtingen.
Er zijn drie onderdelen. Per onderdeel krijgen de kandidaten één of twee teksten te horen waarbij vragen worden gesteld. Na een introductie luisteren de kandidaten naar een tekstfragment. Bij elk fragment hoort één meerkeuze-item. Er zitten ca. 40 opgaven in één examen.
Spreken
De kandidaten voeren ca. twintig spreektaken uit; de taken gaan over verschillende situaties. De eerste taken vereisen een kort antwoord, één of twee zinnen. Bij de resterende taken moeten kandidaten een langer antwoord geven (minimaal twee zinnen). Ze moeten gebruik maken van plaatjes of korte teksten die gegeven zijn. Tenslotte moeten ze een monoloog houden van twee minuten over een gegeven onderwerp.
Uitslagen
De toetsen voor de verschillende vaardigheden kunnen worden vergeleken met behulp van een Rasch gecalibreerde itembank. De ruwe score van de toets worden omgezet op een interval schaal. Elk examen heeft een eigen cesuur en kandidaten krijgen een certificaat voor elk examen waarvoor ze geslaagd zijn. De vier certificaten geven recht op een diploma Staatsexamen Nederlands als tweede taal-II.
|